Schaken leren voor beginners: de regels in 10 minuten
Alle schaakregels voor beginners op een rij: het bord, de opstelling, hoe elk stuk beweegt en hoe je wint met schaakmat.
Schaken lijkt ingewikkeld, maar de basisregels leer je op een paar minuten. Hier vind je alles wat je nodig hebt om je eerste partij te spelen.
Het bord en de opstelling
Je speelt op een bord van 8 bij 8 velden, samen 64. Zet het bord zo neer dat er rechtsonder een wit veld ligt. Elke speler heeft 16 stukken: 8 pionnen, 2 torens, 2 paarden, 2 lopers, 1 dame en 1 koning. De torens staan in de hoeken, daarnaast de paarden en dan de lopers. De dame staat op het veld van haar eigen kleur, de koning ernaast. De pionnen staan op de rij ervoor. Wit mag altijd beginnen.
Hoe bewegen de stukken?
- Toren: zo ver je wilt, recht vooruit, achteruit of opzij.
- Loper: zo ver je wilt, diagonaal. Een loper blijft altijd op dezelfde kleur velden.
- Dame: het sterkste stuk. Ze beweegt als een toren en een loper samen.
- Koning: één veld in elke richting.
- Paard: een sprong in de vorm van een L: twee velden in een rechte lijn en dan één opzij. Het paard is het enige stuk dat over andere stukken mag springen.
- Pion: gaat één veld vooruit, bij de eerste zet mag dat ook twee velden. Een pion slaat diagonaal, niet recht vooruit.
Je slaat een stuk door op zijn veld te landen. Het geslagen stuk gaat van het bord.
Schaak, schaakmat en remise
Als jouw koning wordt aangevallen, sta je schaak. Je moet dat meteen oplossen: de aanvaller slaan, ertussen gaan staan of de koning verplaatsen. Lukt dat niet, dan sta je schaakmat en heb je verloren. Als je niet in schaak staat maar ook geen enkele zet kunt doen, is het pat en eindigt de partij in remise (gelijkspel).
Waar begin je?
Oefen eerst hoe elk stuk beweegt en speel dan een paar partijen tegen iemand anders of tegen een bot. Lees ook onze tips over de eerste zetten en de waarde van de stukken.