♘ ChessschoolVoor clubs en scholen
← Lesplannen

Chessschool · Werkblad 3

Kijk eerst, zet daarna

Naam: _________________________ Datum: ______________

Je kent de stukbewegingen en weet wat schaak betekent. Werk eerst zelf, bespreek daarna in tweetallen. Gebruik een echt bord als je een zet wilt onderzoeken.

Alle diagrammen staan vanaf de witte kant. Dat blijft zo, ook als je met zwart speelt. Lees vóór elke opgave welke kleur aan zet is.

Opgave 1, wit aan zet 8 7 6 5 4 3 2 1 a b c d e f g h

Jij speelt met wit

1. Sla een ongedekt stuk zonder dat jouw stuk direct kan worden teruggeslagen.

zwart: dame g7, wit: koning d6, wit: loper e5, wit: toren f4, zwart: pion b2, zwart: koning g2, wit: paard h2.

Mijn zet(ten): ____________________

Mijn reden: _____________________

________________________________

Speel deze stelling online →
Opgave 2, wit aan zet 8 7 6 5 4 3 2 1 a b c d e f g h

Jij speelt met wit

2. Geef met je paard een vork met schaak en win daarna het zware stuk. Noteer beide paardzetten.

zwart: toren c5, wit: koning f3, zwart: koning d2, wit: paard c1.

Mijn zet(ten): ____________________

Mijn reden: _____________________

________________________________

Speel deze stelling online →
Opgave 3, zwart aan zet 8 7 6 5 4 3 2 1 a b c d e f g h

Jij speelt met zwart

3. Geef schaakmat in één zet. Controleer waarom de koning niet meer kan ontsnappen.

zwart: toren h6, zwart: koning c3, wit: koning c1.

Mijn zet(ten): ____________________

Mijn reden: _____________________

________________________________

Speel deze stelling online →

Even controleren

Dit kan ik nu zelfstandig: ______________________________

Hier wil ik nog hulp bij: _________________________________

Chessschool · chessschool.be/trainers/ · versie 30-10-2026

Werkblad 3 · Begeleidersblad

Antwoorden: Kijk eerst, zet daarna

Laat de leerling eerst de redenering verwoorden. Een goede zet zonder uitleg is nog geen bewijs dat de regel begrepen is.

  1. jij e5–g7. Laat benoemen welk stuk wordt geslagen en controleer alle vijandelijke stukken die het doelveld zouden kunnen bereiken. Controleer digitaal.
  2. jij c1–b3; tegenstander d2–d3; jij b3–c5. Het paard valt twee doelen aan: de koning én een zwaar stuk. Het schaak dwingt een reactie; daarna kan het paard het andere doel slaan. Controleer digitaal.
  3. jij h6–h1. Na de matzet staat de koning schaak. Er is geen veilige vlucht, geen legale slag van het schaakgevende stuk en geen legale tussenplaatsing. Controleer digitaal.

Dit is telkens één geldige oplossing. Een andere zet is alleen goed als zij dezelfde opdracht volledig oplost; laat de leerling dat op het bord aantonen. Bij de paardvork toont de digitale oefening het gespeelde antwoord. Vertel niet dat dit het enige mogelijke antwoord van de tegenstander is.

Korte eindcheck

Laat zonder hulp de routine zeggen: wie is aan zet, wat is het doel, wat kan de tegenstander doen? Kan een leerling de matcontrole nog niet uitleggen, herhaal dan eerst de les over schaak en mat.