Je kent de stukbewegingen en weet wat schaak betekent. Werk eerst
zelf, bespreek daarna in tweetallen. Gebruik een echt bord als je een
zet wilt onderzoeken.
Alle diagrammen staan vanaf de witte kant. Dat blijft zo, ook als je
met zwart speelt. Lees vóór elke opgave welke kleur aan zet is.
Jij speelt met wit
1. Sla een ongedekt stuk zonder dat jouw stuk direct kan worden
teruggeslagen.
Laat de leerling eerst de redenering verwoorden. Een goede zet zonder
uitleg is nog geen bewijs dat de regel begrepen is.
jij e5–g7. Laat benoemen welk stuk wordt geslagen en
controleer alle vijandelijke stukken die het doelveld zouden kunnen
bereiken.
Controleer digitaal.
jij c1–b3; tegenstander d2–d3; jij b3–c5. Het paard valt twee
doelen aan: de koning én een zwaar stuk. Het schaak dwingt een
reactie; daarna kan het paard het andere doel slaan.
Controleer digitaal.
jij h6–h1. Na de matzet staat de koning schaak. Er is geen
veilige vlucht, geen legale slag van het schaakgevende stuk en geen
legale tussenplaatsing.
Controleer digitaal.
Dit is telkens één geldige oplossing. Een andere zet is alleen goed
als zij dezelfde opdracht volledig oplost; laat de leerling dat op het
bord aantonen. Bij de paardvork toont de digitale oefening het
gespeelde antwoord. Vertel niet dat dit het enige mogelijke antwoord
van de tegenstander is.
Korte eindcheck
Laat zonder hulp de routine zeggen: wie is aan zet, wat is het doel,
wat kan de tegenstander doen? Kan een leerling de matcontrole nog niet
uitleggen, herhaal dan eerst de les over schaak en mat.